
Johan Cruijff begreep het al. Je kunt miljoenen op het veld zetten, maar daarmee heb je nog geen goed team.
Er zijn in het moderne voetbal een paar dingen waar je blijkbaar niet zonder kunt.
Een miljoenencontract, een zaakwaarnemer met een eigen parkeerplaats bij de club, een data-analist die zelfs de lichaamstemperatuur van de linksback in kaart brengt en een technisch directeur die na iedere nederlaag uitlegt dat het project nog tijd nodig heeft.
Tijd
Dat is tegenwoordig het favoriete woord van mensen die voor veel geld weinig resultaat leveren.
Johan Cruijff had daar een eenvoudiger antwoord op:
“Ik heb nog nooit een zak geld een goal zien maken.”
En, zoals wel vaker, had hij gelijk
Want wat hebben we inmiddels geleerd?
Dat een speler van vijftig miljoen niet automatisch beter is dan een speler van vijf miljoen.
Dat een club met het grootste budget niet per definitie de beste ploeg heeft.
Dat je met een elftal vol vedetten nog steeds kunt verliezen van elf jongens die wél bereid zijn om voor elkaar te werken.
De loterij
Toch blijven clubs vrolijk met geld smijten alsof ze bij de plaatselijke loterij de hoofdprijs hebben gewonnen. Een spits maakt drie doelpunten in een seizoen, maar geen zorgen: er ligt alweer een contract klaar met een salaris waar een gemiddelde amateurvereniging haar complete accommodatie van kan renoveren.
En als het vervolgens tegenvalt? Dan ligt het aan de trainer, de speelwijze, het veld, de arbitrage of de stand van de maan. De speler zelf heeft natuurlijk gewoon pech gehad.
Het is een wonder dat sommige clubs überhaupt nog wedstrijden winnen.
Wel miljoenen, maar geen spierballen
Wat mij vooral opvalt, is dat we in het voetbal soms meer aandacht besteden aan de marktwaarde van een speler dan aan zijn daadwerkelijke kwaliteiten als atleet.
We willen technisch begaafde voetballers die ruimtes zien voordat anderen ze zien. Prima. Maar zodra ze over twintig meter moeten sprinten, lijkt het alsof ze eerst toestemming moeten vragen aan hun hamstrings.
Een tegenstander versnelt en onze dure vedette kijkt alsof hij zojuist heeft ontdekt dat voetballen ook zonder bal behoorlijk vermoeiend kan zijn.
En dan begint het grote analyseren.
De looplijnen waren niet goed. De restverdediging stond verkeerd. De onderlinge afstanden waren te groot. Allemaal mogelijk. Maar misschien was die tegenstander gewoon sterker, sneller en explosiever.
Dat is geen hogere wiskunde. Dat is topsport.
Een voetballer die kracht tekortkomt, verliest duels. Een speler die onvoldoende acceleratievermogen heeft, komt een fractie te laat. En wie niet goed kan afremmen en van richting veranderen, heeft weinig aan een tactisch plan als zijn tegenstander al lang en breed verdwenen is.
Je kunt een speler nog zoveel videobeelden laten bekijken, maar van een PowerPointpresentatie word je niet sneller.
Helaas laat je je niet sterker maken door een presentatie over krachttraining.
Trainen als een voetballer? Of als een verdwaalde bodybuilder?
Daar zit meteen een ander probleem. Over fysieke ontwikkeling wordt in het voetbal veel gesproken, maar de uitvoering laat soms te wensen over.
We zien spelers die eindeloos met pionnen zigzaggen, hun voeten over een ladder laten dansen en achter gekleurde lampjes aanrennen alsof ze meedoen aan een aflevering van De Alleskunner.
Ziet er gezellig uit. Is vast ook goed voor de teambuilding.
Maar worden ze daar automatisch sneller van op het voetbalveld? Kunnen ze daardoor harder afremmen, krachtiger accelereren, hoger springen of beter een duel aangaan?
Dat is de vraag die iedere trainer en performance coach zichzelf zou moeten stellen.
Niet: ziet de oefening er sportspecifiek uit?
Maar: welke fysieke eigenschap ontwikkelen we, en wat levert die op tijdens een wedstrijd?
Want sportspecifiek trainen betekent niet dat je iedere oefening moet uitvoeren met een bal aan je voet of een pion binnen handbereik. Het betekent dat je gericht werkt aan de eigenschappen die je nodig hebt om beter te presteren in jouw sport.
Kracht ontwikkelen. Snelheid verbeteren. Explosiviteit vergroten. Wendbaarder worden. En ervoor zorgen dat je lichaam de belasting van het voetbal aankan.
Dat vraagt om een doordachte combinatie van krachttraining, sprinttraining, sprongvormen en conditietraining. Niet om een circusprogramma waarin iedere oefening er spectaculairder uit moet zien dan de vorige.
Een voetballer hoeft geen bodybuilder te worden. Maar een beetje meer kracht zou op sommige voetbalvelden beslist geen overbodige luxe zijn.
Talent is mooi. Maar talent zonder fysieke inhoud heeft een houdbaarheidsdatum.
Natuurlijk, voetbal is geen atletiek. Een wedstrijd win je niet door alleen maar hard te sprinten of de grootste gewichten op te tillen. Techniek, tactiek, spelinzicht en besluitvorming blijven essentieel.
Maar waarom zouden we doen alsof fysieke kwaliteiten daar los van staan?
Een speler die sneller bij de bal is, heeft meer mogelijkheden. Een speler die krachtiger accelereert, kan gemakkelijker afstand nemen van zijn tegenstander. Een speler die beter kan afremmen en van richting veranderen, heeft meer controle over zijn bewegingen.
Dat maakt hem niet automatisch een betere voetballer. Het geeft hem wel meer fysieke mogelijkheden om zijn voetbalkwaliteiten te benutten.
En precies daar gaat het om.
Talent is het vertrekpunt, geen excuus om de rest maar achterwege te laten
Toch zie je jeugdspelers die uren trainen met de bal, maar nauwelijks gericht werken aan hun fysieke ontwikkeling. Tot ze op een hoger niveau terechtkomen en ontdekken dat iedere tegenstander óók kan voetballen. Alleen is die tegenstander misschien net wat sneller, sterker en explosiever.
Dan blijkt techniek ineens niet meer voldoende.
Vreemd eigenlijk. We verwachten van jonge voetballers dat ze zich technisch en tactisch ontwikkelen, maar fysieke ontwikkeling wordt soms behandeld als een bijvak dat je er eventueel nog bij kunt doen.
Totdat het misgaat. Dan wordt er plotseling een performance coach bijgehaald.
Liefst gisteren. En het liefst met onmiddellijk resultaat.
De rekening komt altijd op het veld
Het probleem is niet dat er te weinig geld in het voetbal zit. Het probleem is dat geld soms wordt verward met kwaliteit, en goede bedoelingen met effectieve training.
Een dure speler is geen garantie voor succes. Een modern trainingscomplex evenmin. En een indrukwekkende verzameling apparaten in de gym maakt nog geen betere atleet.
De vraag is wat een speler daadwerkelijk kan wanneer de scheidsrechter fluit.
Kan hij versnellen wanneer het nodig is? Kan hij afremmen zonder de controle te verliezen? Kan hij een duel winnen? Kan hij negentig minuten lang de fysieke acties uitvoeren die zijn positie en speelwijze vragen?
Daar wordt het verschil gemaakt. Niet in de bestuurskamer, niet op Transfermarkt en al helemaal niet in de brochure van een trainingsmethode.
Geld koopt spelers. Training ontwikkelt hun mogelijkheden. En uiteindelijk moet het op het veld gebeuren.
Cruijff wist dat al. We zijn inmiddels tientallen jaren verder, de transfersommen zijn geëxplodeerd en zelfs voor een reservekeeper worden tegenwoordig bedragen betaald waar je vroeger een complete selectie van samenstelde.
Maar de basis is niet veranderd.
Je kunt een zak geld opstellen, een zak geld op de bank zetten en een zak geld een contract voor vijf jaar geven.
Alleen moet je niet verbaasd zijn als die zak geld vervolgens geen meter sprint.
Want geld heeft geen acceleratievermogen. Geen explosiviteit. Geen spelinzicht.
En voor zover ik weet, heeft zelfs de rijkste zaakwaarnemer ter wereld nog nooit een sliding gemaakt.
Johan Cruijff had dus gelijk. Alleen zou hij tegenwoordig waarschijnlijk eerst even willen weten hoeveel die zak geld heeft gekost.

Geef een reactie