
Sneller. Sterker. Explosiever. Minder blessures. Meer energie. Een lichaam dat het 90 minuten volhoudt en daarna ook nog enigszins toonbaar uit de kleedkamer komt.
Daar hebben we tegenwoordig prachtige oplossingen voor. Krachtprogramma’s, speedcoaches, herstelboots, ijsbaden, wearables, supplementen en apparaten die met veel gekleurde lampjes beloven dat je eindelijk leert reageren.
Maar als het op voeding aankomt, verandert men in een koopjesjager.
Dan moet het vooral goedkoop en gemakkelijk.
Een energiedrankje uit de koelkast. Een broodje onderweg. Een kant-en-klare maaltijd die vooral lang houdbaar blijkt. En ’s avonds iets uit een doos waarvan de ingrediëntenlijst langer is dan de opstelling van een gemiddelde voetbalclub.
Voeding is brandstof.
Iedere sporter weet het. Iedere ouder weet het. Iedere trainer weet het.
En toch doen we er opvallend weinig mee.
We zijn bereid honderden euro’s uit te geven aan voetbalschoenen, kleding en gadgets. Maar wanneer de rekening bij de slager, groenteboer of bakker iets hoger uitvalt, vinden we gezond eten opeens ‘duur’.
Dat is een merkwaardige rekensom.
Want wat kost het eigenlijk om iedere dag goed te eten?
Niet ieder product hoeft biologisch te zijn. Niet iedere maaltijd hoeft uit een sterrenrestaurant te komen. En nee, je hoeft ook niet met een linnen tas over de markt te lopen alsof je zojuist uit een kookprogramma bent gestapt.
Maar kwaliteit zou bij een sporter wel degelijk een prioriteit moeten zijn.
Ga naar de markt. Koop groenten van het seizoen. Haal brood bij de bakker. Koop eieren, vlees of vis van goede kwaliteit. Loop eens binnen bij de kaasboer. Kijk waar producten vandaan komen.
Niet omdat het hip klinkt.
Omdat je lichaam er iedere dag iets mee moet doen.
En dan komt misschien wel het grootste probleem: tijd.
We willen tegenwoordig alles onmiddellijk.
Een maaltijd moet binnen vijf minuten op tafel staan. Een training moet maximaal rendement opleveren. Herstel moet met een apparaat kunnen. En boodschappen doen? Liefst online, zodat zelfs de wandeling door de supermarkt ons bespaard blijft.
Maar goed eten vraagt iets ouderwets.
Aandacht.
En soms een beetje moeite.
Een goede maaltijd maak je niet door een plastic bakje open te trekken en drie minuten op ‘start’ te drukken. Je moet producten kopen, snijden, koken, bakken, kruiden en misschien zelfs afwassen.
Wat een ellende.
We zijn zo gewend geraakt aan gemak dat we zijn gaan geloven dat gezond eten saai is.
Een bord met groenten, aardappelen, rijst, vlees, vis of peulvruchten klinkt voor sommigen bijna als een strafkamp. Alsof gezond eten automatisch bestaat uit een droge kipfilet, broccoli en een bak kwark.
Onzin.
Gezond eten kan fantastisch lekker zijn.
Maar daarvoor moet je wel leren koken. Goede producten gebruiken. Kruiden ontdekken. Variëren. En vooral: er tijd voor maken.
Precies daar zit de paradox.
De sporter die twee uur per week extra traint om één procent beter te worden, heeft blijkbaar geen twintig minuten over om een fatsoenlijke maaltijd te bereiden.
We willen maximale prestaties met minimale inspanning.
Dat is niet alleen in de sport een probleem.
Een lichaam wordt niet gebouwd tijdens die ene training.
Het wordt gebouwd door wat je dag na dag doet.
Door training. Door slaap. Door herstel. En door voeding.
Dus misschien moeten we stoppen met voeding te zien als iets wat ‘erbij hoort’.
Voor een sporter is voeding onderdeel van de training.
Niet sexy. Niet ingewikkeld. Geen wondermiddel.
Gewoon goede producten, voldoende eten, variatie en consequent zijn.
En ja, daar moet je soms voor naar de markt.
Wat een ouderwets idee.
Misschien is dat precies waarom het tegenwoordig zo modern is.
Geef een reactie